Onder Ottomaanse Heerschappij 1882-1917
Vanaf het begin ondervonden de Joodse nederzettingen tegenstand van de lokale Arabieren. Alhoewel deze oppositie meestal sluimerd was, was er ook steeds weer sprake van oplaaiend geweld, het in bezit nemen van land etc. Het valt te betwijfelen of dit verzet ook politiek van aard was. In 1891, negen jaar na de eerste aliya, werden de eerste tekenen van politieke tegenstand duidelijk. Arabische notabelen uit Jeruzalem verzochten het Ottomaanse bestuur de joodse immigratie en landverkoop te verbieden. Dit verzoek werd van tijd tot tijd herhaald.
De nieuw Turkse opstand in 1908, die een leiderschapswissel met zich meebracht, betekende het begin van Arabisch nationalisme. Deze Arabisch nationale beweging ontwikkelde zich vooral in Syrië, in Libanon en in Palestina. In deze landen werden Arabische kranten opgericht, die zich openlijk uitspraken tegen Joodse immigratie en vestiging in het land. In Constantinopel veroordeelden Arabische parlementsleden de Joodse vestiging in Eretz Israel en bestempelden de Zionistische Beweging als gevaar voor het Ottomaanse Rijk. In 1912 probeerden zionistische groepen contact op te nemen met Arabische nationalisten: Nahum Sokolow ontmoette Arabische leiders. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan alle gesprekken tussen Joden en Arabieren.
Onder Brits Bestuur 1918-1948
Weizmann - Faisal overeenkomst
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog ontond binnen de Arabische nationalisten een beweging die verklaarde dat Eretz Israel voortaan verder ging als "Zuid-Syrië" en eisten haar opname in een groot-Arabische staat, met Damascus als hoofdstad. Chaim Weizmann, de voorzitter van de zionistische commissie, lukte het enige maat van begrip te krijgen bij Emir Faisal, de zoon van sherif Hussein van Mekka en leider van de Arabische nationalisten. Op 3 januari 1919 ondertekenden Weizman en Faisal een overeenkomst waarin gesproken werd over "een zo nauw mogelijke samenwerking in de ontwikkeling van een Arabische staat en Palestina" en over maatregelen, die "grootschalige immigratie van Joden zou ondersteunen en bevorderen". Deze overeenkomst werd echter niet erkend door Arabische nationalisten.
De anti-Joodse opstanden in 1920 en 1921
In maart 1920 braken in Jeruzalem anti-Joodse opstanden uit ("Bloedig Pesach"). De Britse militaire autoriteiten lieten de opstandige Arabieren de vrije hand en arresteerden de Joodse verdedigers, die door Vladimir Jabotinsky geleid werden en veroordeelden hen tot lange gevangenis straffen. In april 1920 werden Joodse nederzettingen in opper-Galilea aangevallen door de Arabieren.
Tel Chai en andere oorden werden na een heroïsche verdedigingsstrijd, waarbij Josef Trumpeldor en anderen om het leven kwamen, vernietigd. Na uitbraak van geweld in Jaffa vonden in mei 1921 grootschalige aanvallen plaats op Rehovot, Petah Tikva en andere plaatsen. Daarbij werden 47 joden gedood en 140 raakten gewond. Door hoofdzakelijk maatregelen van Britse troepen, kwamen aan Arabische kant 48 mensen om het leven. 73 Arabieren raakten gewond. Deze gebeurtenissen maakten duidelijk waartoe de Arabieren in staat waren. Ook de verhoudingsgewijze zwakte van de jisjoev werd pijnlijk duidelijk.
Hoofcommissaris Sir Herbert Samuel maakte een ommekeer, bevool een tijdelijke immigratiestop, en begon onderhandelingen met de Arabische leiding. Dit leidde in juni 1922 tot de publicatie van het "Churchill Witboek".
De onrust in 1929
De relatief vriendelijke en constructieve atmosfeer in de jaren 1922-1928 werd in augustsus 1929 verstoord door een uitbraak van Arabisch geweld. Gedurende de 10 maanden daarvoor waren er kleine onenigheden tussen Joden en Arabieren, veroorzaakt door het recht van de Joden om aan de klaagmuur te mogen bidden. De moefti van Jeruzalem, Haj Amin al-Husseini, gebruikte dit argument om religieuze haat te verspreiden waarin hij de Joden er van beschuldigde zich op voor moslims heilge plaatsen te begeven. Op 23 augustus probeerde een Arabische menigte de Joden aan te vallen in Jeruzalem. De volgende dagen herhaalden de aanvallen zich, maar werden afgeslagen door de Haganah.
Het geweld sloeg over naar andere delen van het land. Op 24 augustus tijdens shabbath werden 70 vrouwen en mannen van de Joodse gemeenschap in Hebron vermoord. Aanvallen op Tel Aviv en de Joodse wijk in Jaffa werden afgeslagen, maar op de vijfde dag van de opstand werden achttien joden in Sfad door een Arabische menigte gedood en velen raakten gewond. Dorpen werden geplunderd en vernietigd. De Britten stelden weer orde op zaken. Deze opstanden leidden tot een parlementaire onderzoekscommissie en tot een rapport van een Brits expert (het Hope-Simpson rapport). Dit resulteerde in het in 1930 gepubliceerde "Passfield Witboek"
De Arabische opstanden 1936 - 1939
Deze drie-jarige periode vol van onrust en geweld, die bekend staat als de Arabische Revolutie, begon in april 1936 met onrustigheden in Jaffa. Hierbij werden 16 joden gedood en velen raakten gewond. De Arabieren riepen op tot een algemene staking. Het Arabische oppercommitee, voorgezeten door de moefti, verkondigde dat de staking voort zou duren totdat aan drie eisen werd voldaan door de Britse regering:
- Stopzetting van Joodse immigratie;
- Verbod van overdracht van land in Joods bezit;
- De oprichting van een "algemeen representatieve regering".
Kort na de algemene staking in oktober 1936, ontstond er een golf van geweld. Joodse eigendommen werden in brand gestoken, Joodse burgers werden vermoord en Joodse nederzettingen werden aangevallen. In de bergen pleegden terroristen aanvallen op Joodse nederzettingen en konvooien als ook op de Britse politie en militaire eenheden. In augustus 1936 starten de Britten een grootschalige tegenaanval op de terroristen.
Aan het einde van de algemene staking in oktober 1936 heerste stilte voor de storm. In september 1937, twee maanden na het bericht van de Peel Commissie, begon de onrust opnieuw. Gewapende bendes waren zeer actief. Haar leiders terroriseerden hun Arabische tegenstanders, en aanslagen tegen joden namen toe. Tegen het einde van 1938 begon de opstand af te nemen en in het voorjaar van 1939 kwam zij tot een einde. 80 joden werden slachtoffer van de terreuraanslagen, terwijl er 415 werden gedood door terroristen gedurende de gehele periode van aanslagen (1937-1939). Militair gezien eindigde de Arabische revolutie in een nederlaag. Politiek gezien gaf zij echter een overwinning: de totstandkoming van het Witboek van 1939.
[Naar boven] [Volgende]
[Concepten] [Zionistische Eeuw] [Homepage]
The
Pedagogic Center
Directeur: Dr. Motti Friedman
Web Site Manager:
Esther Carciente, esthers@jajz-ed.org.il
Bewerking: David Soesan
Created: 16/11/00 Updated: 11/12/00